De Martial Arts van Klassiek Jidokwan:

1.KARATE (Kong Soo; Tang Soo, Tang Te)

Kenmerken: hard, explosief, strak, rechtlijnig, gesprongen trappen.

Karate is ontstaan op het eiland Okinawa waar Chinees Kung Fu werd gemengd met de lokale vechtkunst Te, waardoor het 'Kara Te' ontstond, dat rond 1920 naar Japan werd gebracht waar het Karate-Do werd genoemd. Ook enkele Koreanen leerden het, w.o. Dr. Yoon Kwei Byung (Jidokwan) van Kenwa Mabuni (Shito Ryu). In Korea ontstond door de invloed van het benenspel Taekyon in de eerste scholen het 'Koreaans Karate' waarbij er meer nadruk op trappen i.p.v. stoten kwam te liggen. 

2. Chuan Fa (Kwon Bup, Kung Fu, Kempo)

Kenmerken: hard/zacht, hoog/laag, sierlijk/vloeiend, cirkelend, vegen.

Yoon Byung-In  & Dr. Yoon Kwei Byung leerden Chuan Fa in Mantsjoerije (China). Het betreft de Chang Chuan of: 'Lange Vuist'-stijl, met elementen van Nan Chuan, Baji Chuan en Tanglang Chuan. Dit zijn vrijwel allemaal 2-personen sets.

3. Klassieke wapens

Naast ongewapend vechten leert men in Kong Soo Do-Kwon Bup ook de kunst van klassieke Okinawa wapens ('Kobudo'): landbouwwerktuigen w.o. stok, dorsvlegel, drietand, etc. om zich o.a. te kunnen verdedigen tegen een zwaard. In Manchu Kung Fu worden de traditionele Chuan Fa wapens (Koreaans: 'Sipalki') geleerd w.o. zwaard, sabel, meszwaard, speer, hellebaard, drie-delige stok, tijgerhoekzwaard, waaier, etc.

4. Interne Martial Arts 

Na meesterschap te hebben verworven over de harde en hard/zachte vechtkunsten gaat de gevorderde student verder met de innerlijke Chinese vechtkunsten Tai Chi, Pa Kua, Hsing Yi en specifieke Chi Kung oefeningen, elk met hun specifieke oosterse filosofie.